Mijlpaal 4

Mijlpaal 4: Gedragsorganisatie en probleemoplossend vermogen

Beschrijving: het kind is rustig, hij kan duidelijk aangeven wat hij wil en hij begint te communiceren. De communicatie mag nu steeds complexer worden en het kind begrijpt soms opdrachten (zoals ‘pak de bal’ of ‘geef maar’).

Bij de gedragsorganisatie laat het kind zien dat hij meer een zelfbesef aan het ontwikkelen is; er ontstaat een eigen willetje. Het kind is ook meer in beweging en kan zich verplaatsen (kruipen en lopen). Hij laat soms ook met zijn gezicht zien dat hij je aandacht kan trekken door ‘gekke bekken’ te maken. Als er een probleempje is, kan hij dit al beter zelf oplossen. Bijvoorbeeld hij krijgt het deksel van een pot niet los en loopt naar zijn ouders, en probeert om hulp te vragen. Dan komen ook de eigen ideeën. Als hij ergens niet bij kan, pakt hij een krukje, schuift het naar de kast en pakt wat hij wil (probleem opgelost!).

Checklist

  • Openen en sluiten van 10-30 communicatiecirkels.
  • De communicatiecirkels kun je niet meer tellen.
  • Het kind begrijpt een-staps opdrachten.
  • Het kind kan kleine problemen oplossen.
  • Het kind kan ongeveer 50 woorden expressief inzetten.
  • De emoties en gevoelens zijn meer georganiseerd.
  • Er is imitatie-doen-alsof: bijv. flesje naar de mond van de pop.

Wat je als ouder kunt doen:

  • Als ouder wordt je een interactieve partner met je kind en leg je de nadruk op de ‘flow’ van communiceren. Je gaat wel zoveel mogelijk in op de interesses van het kind en je probeert de communicatie te rekken.
  • Gebruik je gezichtsuitdrukkingen, je stem of overdrijf je gebaren waarmee je het affect binnen de communicatie versterkt. Begin met non-verbaal moment, zoals ‘verwachtingsvol wachten’ of verstop je achter de muur en kijk voorzichtig.
  • Ondersteun je kind om meer dan 20 communicatiecirkels te openen en te sluiten. Bijvoorbeeld het kind neemt je bij de hand, loopt naar de deur, en wijst wat het uit de kast wil hebben en laat misschien een klank of woordje horen door aan te geven wat hij wil hebben.
  • Breidt de communicatie met je kind verder uit door vragen te stellen zoals: waar wil je naar toe?, wat wil je hebben?, wie komt er ook?, wat zullen we pakken?. Vooral wat-vragen en waar-vragen. Keuze-vragen zijn ook helpend.
  • Gebruik probleemoplossing om het kind uit te dagen tot meer interactieve communicatie. Doe-alsof de pop honger heeft en ga samen op zoek naar eten of drinken.

Doelen voor het kind

  1. Het kind laat initiatieven in de communicatie zien doormiddel van gebaren of woorden om te laten merken wat hij wil
  2. Het kind zal beter gaan plannen zoals: Als hij een koekje wil: op zoek naar een stoel, dan schuift hij de stoel naar de kast, gaat op de stoel staan en pakt het koekje. Dan geeft hij moeder een glimlach van trots!
  3. Het kind zal ook beter zijn best gaan doen, contact te maken met de ouder, en daarbij probleempjes oplossen, bijvoorbeeld: Vader is de krant aan het lezen en het kind wil met vader spelen. Het kind klimt op de bank, duwt tegen papa aan, en trekt hem mee naar de grond om te gaan spelen.