Mijlpaal 5

Mijlpaal 5: Voorstellend vermogen

Beschrijving: Je kind is nu druk bezig zijn eigen ideeën in een eenvoudig doen-alsof spel uit te spelen. Je kind neemt een serviesje erbij en deelt bordjes uit. Je kind geeft de pop een fles, je kind zet de auto’s in de garage. En elke keer als je kind dit aan het doen is, is hij zijn ervaringen aan het ordenen. Het kind kan nu ook ‘dorst’, of ‘drinken’ roepen als hij dorst heeft. De overgang naar een doen-alsof spel en gesproken taal, is een grote sprong in de ontwikkeling.

Checklist

  • Het kind gebruikt 1 of 2 –woordzinnen.
  • Het kind begint eenvoudige vragen te stellen en te beantwoorden (wat, waar, hoe – vragen).
  • Nog geen open-einde vragen: ‘wat gaan we doen?’, ‘wat heb je gedaan?’
  • Het kind kan een thematisch rollenspel met een volwassene spelen (doen-alsof je een theekransje hebt, met de auto’s botsen en doen alsof het kapot is.
  • Het kind volgt 1 of 2 stapsopdrachten (bijvoorbeeld: ‘pak de bal maar’ of ‘geef maar hier’.
  • Het kind gaat groeten, en zwaaien. 

Wat je als ouder kunt doen:

  • Probeer je kind te volgen in zijn doen-alsof spel en voeg ideeën toe. bijvoorbeeld als je doet alsof je koffie drinkt, zeg dan dat de koffie nog te heet is om te drinken. Of doe alsof je je pijn hebt gedaan en wijs de doktersset aan om het kind aan te moedigen de dokter te zijn.
  • Probeer het idee van het kind te begrijpen door de doen-alsof wereld van het kind te ondersteunen met woorden en acties. Doe dit samen. Leef je echt in, in een rol, en dramatiseer soms. Dit prikkelt het kind en stimuleert het plezier in het samenspel.
  • Stimuleer de acties met woorden in plaats van dat het kind gaat slaan of driftig wordt. Bijvoorbeeld de dieren slaan elkaar, of vallen elkaar aan. Laat het kind dit in woorden doen door te zeggen ‘ik ben boos’, ik wil je niet in mijn buurt hebben’.
  • Probeer betrokken te zijn bij lange gesprekken met je kind en communiceer de interesses, de gevoelens, de behoefte door de dag heen. 

Doelen voor het kind

  1. Het kind neemt initiatieven om ervaringen uit te spelen in een doen-alsof spel, zoals het knuffelen van een pop.
  2. Het kind neemt initiatieven om doen-alsof spel te ondersteunen met taal.
  3. Het kind uit zijn ideeën in woorden, door bijvoorbeeld te zeggen ‘buiten spelen!’ als hij naar buiten wil gaan.
  4. Het kind uit zijn ideeën om de werkelijkheid met de symbolische wereld te combineren, zoals als hij zich pijn heeft gedaan, de dokterskoffer te pakken om daarna weer beter te worden.
  5. Het kind is betrokken bij gesprekjes en kan daarin zijn ideeën uiten.
  6. Het kind creëert doen-alsof ideeën.
  7. Het kind kan verschillende rollen aan nemen in dit uitspelen in een doen-alsof spel.
  8. Het kind kan voorspellen hoe anderen zich kunnen uiten in bepaalde situaties.
  9. Het kind kan laten zien hoe het conflicten kan oplossen in sociale situaties, zoals het wachten, beurtwissel, samenspelen, assertief zijn en zelf weer het speeltje kunnen bemachtigen, mee willen doen in het spel, en anderen beschermen.
  10. Het kind kan verschillende rollen spelen in het spel.
  11. Het kind kan binnen het spel een grote variaties aan thema’s laten zien.