Aan de slag

Doelen en Richtlijnen

Tijdens FloorPlay zal de behandelaar met name de ouder gaan coachen in het toepassen van FloorPlay. Omdat het een ouder-kindbehandeling is, zullen we niet alleen ons focussen op het kind, maar het kind in de relatie zien met de ouder.

Eerste doel

Het eerste doel is gericht op de ouders: met FloorPlay proberen we ouders te coachen zodat het voor de ouder gemakkelijker is om in contact te komen met hun kind en doelgerichte communicatie aan te gaan.

Tweede doel

Daarna gaat de ouder zich richten op het kind om hem te ondersteunen in het afstemmen, betrokken te zijn, communicatie aan te gaan en initiatieven te nemen.

Om deze doelen te realiseren, zullen we aan de hand van richtlijnen aan de slag gaan. Het gaat om de volgende richtlijnen:

  1. Plezier met anderen – doe wat het kind leuk vindt om te doen

Als het kind plezier heeft om met jou in interactie te zijn, om samen te spelen en samen lol te hebben, werkt dat op verschillende ontwikkelingsgebieden door. Als kinderen plezier hebben, zijn ze gemotiveerd om stappen te zetten in de ontwikkeling. Daarnaast zorgt het voor een positieve ouder-kind relatie. Als het kind plezier heeft, verschijnt er ook een glimlach op het gezicht van de ouder. Het kind staat open voor contact, en heeft er zin in om met jou verdere stappen te maken in de interactie, spel of het samen zijn.

  1. Neem de tijd ervoor, plan het in je dag.

De technieken van FloorPlay kun je de hele dag inzetten. Denk hierbij aan 2 uur per dag, maar door de dag heen. Ongeveer 15 tot 20 minuten per keer. Dit kan tijdens een spelmoment zijn, maar ook tijdens het naar bed brengen, boodschappen doen, in bad gaan of tijdens een wandeling. In het begin zal dit nog niet vanzelf gaan. Je zult moeten nadenken welk moment, het beste moment is.

Floorplay tijdens een spelmoment

Plan FloorPlay door de dag heen. Kies in ieder geval een moment op de dag waarbij je doelgericht met je kind gaat spelen. Dat betekent, dat op het moment je kind rustig aan het spelen is, je erbij gaat zitten. Je probeert je kind te volgen in wat hij aan het doen is en probeert interactie uit te lokken. Het spel is dan een middel. Spel motiveert een kind om plezier te maken. Als je hierbij aansluit, volg je in ieder geval al de interesses van je kind. Jouw kind zal het op den duur erg prettig vinden dat je erbij bent en dat je met zijn spel mee doet.

FloorPlay in dagelijkse situaties & activiteiten

Naast de speelmomenten, kun je FloorPlay ook in allerlei dagelijkse situaties toepassen. Denk bijvoorbeeld aan het moment dat je jouw kind in bad doet. Je heeft misschien gemerkt jouw kind ook in bad aan het spelen is, dan kun je ook FloorPlay toepassen. Dit is dan een speelmoment. Maar, nog voordat het kind in bad gaat kun je je kind uitdagen om interactief te zijn en samen problemen op te lossen. Zet je kind bijvoorbeeld met kleren aan in een leeg bad. Laat dan zien dat je het niet begrijpt met expressie en eventueel met woorden. Vraag aan je kind wat er allemaal moet gebeuren voordat je in bad gaat. Ook als je met je kind naar boven loopt, op de trap, kun je FloorPlay doen. Loop eens op een andere manier de trap op, tel de treden, maak grapjes, neem je kind mee op de rug, doe alsof je een bus bent die een kindje komt ophalen. Gebruik deze technieken ook als je kind niet mee wil naar boven. Juist met een andere wending, kun je je kind motiveren wel mee te gaan naar boven.

  1. Observeer je kind tijdens het spel en bepaal wat de comfortzone van je kind is

In het volgende afbeelding, zie je 3 cirkels. De middelste cirkel is de comfortzone van je kind. Bij deze activiteiten is het kind het meest comfortabel, en bezig met wat hij of zij al weet. Het kan zijn dat je kind het heel fijn vindt, om alle auto’s steeds op een rij te zetten of alles te sorteren. Dan zit je kind in de comfortzone. In de ‘comfortzone’, is het kind niet in interactie met de ander, het kind is in zichzelf gekeerd. Sommige kinderen gaan even boekjes bladeren of tv kijken, om alles wat ze gedaan hebben tot rust te brengen of te verwerken. Deze kinderen kunnen er soms zelf weer uit komen door opnieuw in interactie te gaan met de ander. Andere kinderen lukt dit niet, en blijven hangen in hun comfortzone.

De tweede zone is de zone van de naaste ontwikkeling. In deze zone is het kind in staat te leren. Het kind is gemotiveerd en heeft plezier met de ander en stelt zich open om te leren. Idealiter is om het kind een aantal keer per dag naar deze zone te brengen.

De derde zone, is de zone van overstimulering. Dat wil zeggen dat wat je doet, nog te moeilijk is voor het kind. De vaardigheden zijn nog niet haalbaar, ook niet met ondersteuning van de volwassene. Het kind kan deze vaardigheden nog niet uitvoeren, ook niet met hulp van een ander. Je kunt je voorstellen dat deze overstimulering tegendraads werkt. Er is geen connectie met het kind, het kind pikt het niet op en er ontstaat miscommunicatie. Het kan dan gebeuren dat het kind zich nog meer gaat terugtrekken in zijn of haar ‘comfortzone’ en meer gedragsproblemen laat zien.

  1. Volg de lijn van het kind en speel op het juiste niveau

Als je ziet waar je kind graag mee speelt of waar zijn interesse naar uit gaat, dan kun je je kind gaat volgen in wat hij doet. Je bent een soort co-regisseur, en het kind is de regisseur.

Door het kind te volgen, en na te doen wat hij of zij doet, komt je in de ‘wereld’ van het kind en ga je begrijpen hoe het kind wenst te spelen. Door hier op aan te sluiten, heeft het kind ook het gevoel dat je hem begrijpt. Verderop worden allerlei technieken beschreven die je kunt gebruikten om in de ‘wereld’ van je kind te komen of het kind te prikkelen tijdens het spel. 

  1. Open en sluit communicatiecirkels

Ook spreken we regelmatig van communicatiecirkels. Een communicatiecirkel is een interactiemoment met de ander. Bijvoorbeeld moeder laat een bal zien aan het kind, en het kind reageert door te wijzen naar de bal en oogcontact te maken met moeder. En de moeder geeft de bal aan het kind. Dit is 1 cirkel (actie-reactie).

  1. Communicatiecirkels zijn de basis van de communicatie. De hoofdtaak van interactie is het aantal communicatiecirkels te laten toenemen, ook in kwaliteit. Reageert het kind, dan is er betrokkenheid, blijft het kind op dezelfde manier reageren, dan is er geen betrokkenheid meer. Bijvoorbeeld bij steeds dezelfde herhalingen.
  2. Als we een boodschap naar de ander sturen, dan openen we een communicatiecirkel. De persoon sluit de cirkel door de boodschap te ontvangen en dit duidelijk te laten blijken. Dit is het belangrijkste van sociale interactie.
  3. Een cirkel kan geopend worden door de ouder, en het kind reageert (kind sluit).
  4. Een cirkel kan geopend worden door het kind, en de ouder reageert (de ouder sluit).